|
[Start] [Omhoog]
| |
Koninklijk Penningkabinet
Rijksmuseum Het
Koninklijk Penningkabinet, werd opgericht in 1816 door samenvoeging van de
terugontvangen stadhouderlijke verzameling die in 1795 als oorlogsbuit naar
Parijs was gevoerd en het in 1809 door Lodewijk Napoleon gestichte Lands
Penningkabinet. De kern van de stadhouderlijke collectie bestond uit de in 1751
door Willem IV aangekochte verzameling De Thoms, bestaande uit antieke munten en
gesneden stenen, onder Willem Vaangevuld met nieuwere munten en penningen. Het
Lands Penningkabinet bestond grotendeels uit de in 1809 bijna geheel.verworven
belangrijke collectie antieke munten van Van Damme. De collectie bevatte in 1816
ca. 20.000 munten en penningen.
De oprichting van het Penningkabinet paste in een reeks maatregelen van Willem
lom het jonge koninkrijk ook een cultureel gezicht te geven: tegelijkertijd
ontstonden ook in Den Haag het Koninklijk Kabinet van Schilderijen en de
Koninklijke Bibliotheek. Willem I interesseerde zich sterk voor deze
verzamelingen die hij regelmatig liet uitbreiden. Hierbij was het niet echt
duidelijk of hij deze collecties als persoonlijk bezit zag of als
staatseigendom.
Aanvankelijk werd de collectie vooral uitgebreid met gesneden stenen, waarbij de
belangrijkste aanwinst de zogenaamde Grote Camee was, aangekocht in 1823 voor f
50.000 en die nog aan Rubens had toebehoord. In 1837 verscheen de catalogus van
de belangrijkste gesneden stenen. Daarnaast ging de belangstelling meer uit naar
de antieke munten, waarvan er in de periode tot 1830 ruim zesduizend stuks
werden aangekocht. Jongere munten en penningen kregen in de beginjaren van het
Kabinet veel minder aandacht. Tijdens de grote geldsanering na 1845 zijn er dan
ook weinig munten uit de circulatie voor het Koninklijk Penningkabinet
aangeworven, iets wat wel gebeurde voor de verzameling van 's Rijks Munt te
Utrecht. Wei zag de eerste directeur, Jhr. J. C. de Jonge, vanaf het begin het
belang van muntvondsten in.
In de jaren '30 en' 40 groeide echter de belangstelling voor "
vaderlandse" munten onder invloed van de Romantiek en het door de Belgische
opstand van 1830 opgewekte nationalisme. De grote promotor voor de Nederlandse
numismatiek was P. 0. van der Chijs, die sinds 1835 hoogleraar-directeur was van
het zelfstandige Penningkabinet der Leidsche Hoogeschool. Onder de tweede
directeur, J. F. G. Meijer, zelf vóór zijn benoeming een enthousiast
verzamelaar, werd daardoor een geheel ander aankoopbeleid gevoerd. Hij zou zich
vooral inzetten voor de vaderlandse numismatiek. Bij zijn benoeming bevatte het
Penningkabinet bijna 50.000 munten en penningen. Ondanks de geringe middelen
groeide de collectie in het midden van de vorige eeuw door systematische
aankoop, voornamelijk op veilingen, toch regelmatig met meer dan duizend stuks
per jaar. De belangrijkste aankoop in deze periode was die van de grote
collectie De Voogt met zeer veel Gelderse munten. In 1881 werd bovendien het
grootste deel van de verzameling van het Leidse Penningkabinet in het Koninklijk
Penningkabinet opgenomen.
Tot 1889 bestond de staf van het Penningkabinet slechts uit één persoon,
daarna tot 1935 uit twee personen, waarbij nog bedacht moet worden dat de eerste
directeur, De Jonge, nog diverse andere functies bekleedde.
Tijdens het bewind van Meijer stelde de Franse archeoloog J. Menant in 1877 een
catalogus samen van de in 1825 verworven collectie Babylonische en Assyrische
rolzegels. Zelf kwam Meijer niet verder dan het ordenen van de collectie die
daarvoor chronologisch werd bewaard op jaar van verwerving van de stukken. Zijn
opvolger A. A. Looijen begon met een systematische inventaris ter voorbereiding
van een catalogus. Bij zijn dood in 1893 had hij 17.184 stukken beschreven. Hij
werd opgevolgd door zijn assistent H. J. de Dompierre de Chaufepié. Deze begon
systematisch gegevens over muntvondsten te verzamelen en hij zette het werk van
Looijen aan de inventaris voort. Dompierre voerde de kartonnen muntleggers en
penningbakjes in, die het Penningkabinet nu nog steeds gebruikt. Hij was een
groot propagandist voor de numismatiek, speciaal voor de moderne penningkunst.
Daarom wilde hij het besloten kabinet veranderen in een meer toegankelijk
museum. Hij organiseerde vanaf 1893 tentoonstellingen binnen en buiten het
Penningkabinet om daarmee de collectie voor een grotere groep belangstellenden
te presenteren. Hij werd in 1911 opgevolgd door zijn onderdirecteur A. 0. van
-Kerkwijk, die helaas niet verder ging met het vernieuwende beleid van zijn
voorganger. Van Kerkwijk is vooral bekend geworden door zijn werk in archieven
en bibliotheken dat resulteerde in zijn omvangrijke serie aantekeningen die
thans nog in het Penningkabinet wordt bewaard. Tijdens zijn periode heeft het
Penningkabinet enkele grote collecties kunnen verwerven, onder andere die van
Van Dijk van Matenesse (rekenpenningen), De Man en Verschuer .
Het museumbeleid zou weer opgepakt kunnen worden door M. A. Evelein die Van
Kerkwijk in 1935 opvolgde. De verhuizing in datzelfde jaar van de Koninklijke
Bibliotheek, waar het Kabinet vanaf de oprichting was gehuisvest, naar een
modern en ruim onderkomen in het Haags Gemeentemuseum leek een museale
ontplooiing in te luiden. Helaas moest ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog
het gebouw al in 1942 ontruimd worden en werden de collecties in beveiligde
bergplaatsen ondergebracht.
Na de oorlog heeft de nieuwe directeur J. van Kuyk de band met het
Gemeentemuseum niet hersteld. Hij streefde naar een zelfstandige vestiging waar
het kabinet zijn positie als museum en als onderzoekscentrum zou kunnen
waarmaken. Verwezenlijking heeft echter lang op zich laten wachten: gedurende
veertig jaar bleef er een scheiding bestaan tussen het onderkomen van het
personeel en de voor kostbare collecties vereiste veilige bergruimte. Dit was
uitermate belemmerend voor het werk van de staf en voor het contact met het
publiek. Wel kon onder de directie van H. Enno van Gelder tweemaal een ruimere
behuizing worden betrokken: in 1949 aan het Lange Voorhout en in 1960 aan de
Zeestraat, waar voor het eerst weer beperkte tentoonstellingen konden worden
gehouden.
Tijdens de periode onder Van Gelder groeide het personeelsbestand van drie naar
negen. De nadruk viel vanwege de behuizing noodgedwongen op wetenschappelijk
onderzoek: een grote stroom van wetenschappelijke publicaties, zowel van hemzelf
als van anderen die hij daartoe inspireerde, waardoor het Kabinet één van de
meest vooraanstaande wetenschappelijke numismatische instellingen is geworden.
Aan deze situatie kwam pas een einde met de verhuizing van het Kabinet in 1986
naar Leiden, waar het als zelfstandig museum gevestigd is in het
gebouwencomplex van het Rijksmuseum van Oudheden.
De verhuizing naar Leiden en de definitieve verandering in een numismatisch
museum kwam tot stand onder directeur H. W. Jacobi. De hoofdtaken van de huidige
staf van acht vaste en enkele tijdelijke medewerkers zijn: het beheren en
aanvullen van de numismatische verzamelingen en van de bibliotheek, het
verrichten van wetenschappelijk onderzoek, het ver schaffen van informatie aan
Nederlandse musea en aan het publiek, het houden van exposities en bijdragen
leveren aan exposities van andere musea en het registreren van muntvondsten in
het kader van de Monumentenwet.
De collectie telt nu meer dan 200.000 voorwerpen. De bibliotheek is ontstaan
door een overdracht van de Koninklijke Bibliotheek. Het is, met ruim 12.000
titels, de grootste numismatische bibliotheek van ons land.
In verband met de oprichting van het Geldmuseum
te Utrecht (ultimo 2003), waarin Penningkabinet, Nederlands Muntmuseum en de
numismatische collectie van de Nederlandse Bank samengaan, liggen de
publieksactiviteiten van de betreffende musea tot 2006 vrijwel stil. Kijk op de website
van het Geldmuseum voor de actuele stand van zaken.
Directeuren (tot 1870 met de titel Opzichter):
Jhr.Mr. J. C. de Jonge 1816-1853
J. F. G. Meijer 1853-1889
Ds. A. A. Looijen 1889-1893
Dr. H. J. de Dompierre de Chaufepié 1893-1911
A. 0. van Kerkwijk 1911-1934
Dr. M. A. Evelein 1935-1945
Mr. J. van Kuyk 1945-1949
Prof.Dr. H. Enno van Gelder 1949-1980
Drs. H. W. Jacobi 1980-1992
Drs. M. Scharloo 1992-2001
Drs. A.J.M. Wagemakers 2002 -2003
Bron: Encyclopedie van Munten en
Bankbiljetten
|