Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde

Tijdens het 1e Internationaal Numismatisch Congres te Brussel besloot op 5 juli 1891 een aantal Nederlandse deelnemers tot oprichting van een Nederlandse numismatische vereniging. De oprichtingsvergadering werd een jaar later gehouden ten huize van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in het Muntgebouw te Amsterdam op 12 juni 1892.
De naam van deze vereniging werd vastgesteld als Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde.
Bij Koninklijk Besluit nr 11 van 5 september 1892 werden haar statuten goedgekeurd, laatstelijk gewijzigd door de Buitengewone ledenvergadering van 24 juni 1978 te Utrecht.
Bij Harer Majesteits Kabinetschrijven nr 2451 van 25 oktober 1899 werd aan het Genootschap het recht verleend tot het voeren van het predikaat 'Koninklijk'. Op 17 februari 1987 werd dit recht onder bepaalde voorwaarden verlengd voor de duur van 25 jaar, na afloop waarvan bestendiging van dit recht kan worden verzocht aan Hare Majesteit de Koningin.

BEPALINGEN BETREFFENDE HET PREDIKAAT 'KONINKLIJK'
zoals verleend ingevolge Koninklijke Beschikking per 17 februari 1987 voor de duur van 25 jaar.
1. Hare Majesteit de Koningin verleent het recht tot het voeren van het predikaat 'Koninklijk'. Het recht kan worden verleend aan ondernemingen en aan verenigingen en is strikt op naam.
2. Verlening van het predikaat houdt tevens in, dat de gerechtigde de Koninklijke Kroon mag voeren waar zulks in het gebruik past, bijvoorbeeld op briefpapier in combinatie met de naam van de onderneming of vereniging dan wel op een eigen vlag.
De Koninklijke Kroon bevat een hoofdband en vijf diademen; dit karakter dient bij eventuele stilering in ieder geval gehandhaafd te blijven.


Het predikaat mag in het buitenland in een vreemde taal worden gevoerd.
3. Het gerechtigd zijn tot het voeren van het predikaat houdt de verplichting in alles na te laten wat de reputatie van de gerechtigde zou kunnen schaden.
Tevens dient de gerechtigde de bij de verlening uitgereikte documenten, te weten het afschrift van de Koninklijke Beschikking, de oorkonde en het exemplaar van deze bepalingen, met zorg te bewaren.
4. Het predikaat mag niet worden gevoerd in verbinding met een product.
5. Het recht tot het voeren van het predikaat kan te allen tijde worden ingetrokken.
6. Het recht tot het voeren van het predikaat vervalt, indien de juridische of feitelijke structuur van de gerechtigde verandert.
Bij ondernemingen kan hieronder bijvoorbeeld worden verstaan het geval dat de eigendom van de onderneming geheel of in overwegende mate in andere handen overgaat, de statuten worden gewijzigd, de onderneming in liquidatie treedt, in staat van faillissement komt te verkeren of surséance van betaling aanvraagt.
Bij verenigingen kan hieronder bijvoorbeeld worden verstaan wijziging van de statuten of het in liquidatie treden.
7. Het recht tot het voeren van het predikaat vervalt na vijfentwintig jaar dan wel na een kortere periode, indien die bij de verlening is vermeld.
8. Wanneer het recht tot het voeren van het predikaat wordt ingetrokken dan wel vervalt, dient de oorkonde onverwijld te worden teruggezonden aan de Grootmeester van het Huis van Hare Majesteit de Koningin. Alsdan mogen het predikaat en de Koninklijke Kroon niet meer worden gevoerd en dienen de statuten van de voormalige gerechtigde te worden aangepast.
9. In de onder 6 en 7 bedoelde omstandigheden waar de gerechtigde onderneming of vereniging blijft bestaan, kan bestendiging van het recht tot het voeren van het predikaat worden verzocht aan Hare Majesteit de Koningin.
10. Deze bepalingen worden in twee exemplaren uitgereikt aan de gerechtigde. De gerechtigde dient één exemplaar te ondertekenen en aan de Grootmeester van het Huis van Hare Majesteit de Koningin terug te zenden.

De ondergetekenden verklaren tekeningsbevoegd te zijn voor
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde te Amsterdam
en kennis te hebben genomen van deze bepalingen en zich daarnaar te zullen gedragen.
w.g. E.J.A. van Beek, voorzitter
J.J. Grolle, secretaris


Na de statutenwijziging in 2008/2009 zijn de gewijzigde statuten via de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland voorgelegd ter bestending aan het Kabinet der Koningin.  Zie hier de brief  waarin deze bestendiging wordt verleend.